Sneeuw, vooral de eerste echte sneeuw, maakt van mij altijd een beetje een ander mens.

Vooral in het weekend, als de haast van de week er niet meer in zit.

De tuin is dan wit. De bomen zijn wit. Behalve de berken. Die hebben dan wel een zomer lang het monopolie gehad, maar nu zijn ze roze, om maar niet te zeggen dat ze gewoon vuil zijn in vergelijking met de rest. Het is het witste wit dat ik ken. Wit dat reclame maakt voor een waspoeder, dat bulkt van de detergenten.

Sneeuwwit dus. Dat hadden ze vroeger ook al heel duidelijk bekeken. De dennen hebben sympathieke sneeuwmutsen en onze vuilbak ziet eruit alsof hij bruiloft gaat vieren. Ik trek mijn rubberlaarzen aan en stap er voorzichtig doorheen. Het is zondagmorgen en de confrontatie begint net op de televisie. Ze zullen zonder mij ook wel klaarkomen, denk ik, ik moet door de sneeuw. Een eindeloosheid van sneeuw. Hij doet me altijd denken aan wat wij vroeger ‘de staat van gratie’ noemden. Da’s ook al even geleden.

Ik neurie I’m dreaming of a white Christmas, niet dadelijk Bing Crosby, maar het klinkt toch niet onaardig, al moet ik twee keer van toon veranderen eer ik het helemaal kan zingen.

Op de vijvers is het dunne ijs ondergesneeuwd en de eenden en de ganzen stappen wiegend en wrevelig babbelend de grote witte vlakte op. Voor hen draagt het ijs al. Er zijn spaarzame sporen van een konijn, dat zijn ronde al eens gedaan heeft. De lucht trekt open en de zon doet de vrieskou opdampen. Maar het blijft fris. Mijn oren gloeien. Ik steek mijn handen diep in de zakken van mijn schaapsleren jas.

Op de boerderij word ik binnengeroepen. Koffie met een borrel, beveelt de boerin. Ik vind de borrel nog veel te vroeg, maar ik wil geen traditie verstoren. De geur van spek is nauwelijks uit de keuken en nu ruik ik de varkensribbetjes, die op het vuur tussen de sjalotten liggen te pruttelen.

– Lekkere koffie! Zeg ik. En dat zeg ik niet omdat hij gratis is. Hij ís lekker! Dat vindt de boerin fijn.

Vrieskou, sterke koffie en een borrel. Een ideaal driehoeksgeval.

En dan geen koffie waar je Maastricht kunt door zien, zoals ze in het Maasland zeggen. Die is enkel goed voor de bloembakken.

We stappen opnieuw door de sneeuw. Nemen voor het vertrek nog een snuifje van de boer, da’s goed tegen de verkoudheid. Het kriebelt tot hoog in je neus en de tranen schieten je in de ogen. Maar het lucht wel op. Onderweg begint het te drukken. De twee koppen koffie zijn gezakt naar het zuiden. We maken nog eens een plasje, net als vroeger, in een ongerept stuk sneeuw plassen we de initialen van onze naam. Net als vroeger. Ik kijk met een glimlach naar het resultaat, terwijl ik het schrijfgerief opberg.

Met rode oortjes komen we thuis. We eten ’s middags zuurkool met worst en straffe mosterd. We kruipen in onze zondagse zetel. Buiten begint het opnieuw te sneeuwen. Mijn naam en mijn voetstappen worden traag maar zeker uitgewist.

’s Avonds besluit het televisienieuws met, wat zij noemen, een poëtische sneeuwimpressie. Altijd hetzelfde Zoniënwoud met de kindersleetjes, die elkaar in de weg zitten en genummerde eenden op de bevroren vijver. En dunne koffie aan kraampjes. Het is sneeuw met een slecht scenario. Sneeuw met prikkeldraad rond. Geprogrammeerde winter, afdeling sneeuw, tweede rek, links onder, archiefsneeuw. Geef mij maar mijn privé-sneeuw, sneeuw die aan de ribben blijft plakken.

– Louis Verbeeck

Louis Verbeeck schreef jarenlang cursiefjes voor De Bond. De redactie selecteerde er enkele om opnieuw te publiceren naar aanleiding van zijn overlijden op 25 november 2017. Lees hier zijn In Memoriam.
Gepubliceerd op: 29/11/2017, laatste update op: 13/12/2017

Tags: