Ze beginnen dat allemaal zo'n beetje in te zien, dat je terug naar je 'roots' moet. 'Back to the basics' zeggen sommigen, maar het komt er gewoon op neer, dat je niet moogt vergeten waar je vandaan komt.

Dus ging ik ook nog eens terug naar mijn dorp en ik dacht: ‘Ik rijd tot aan de zandberg, daar parkeer ik mijn auto en dan zien we we’l. En ik had en petje bij en een zonnebril, want ik wilde het incognito houden. De zandberg was er nog, maar wat in de tijd van mijn roots en mijn verbeelding misschien een grote zandbak geweest was, een soort van Sahara met veel bergop, daar schoot niet veel meer van over.

Er was wel van alles bijgekomen, een stuk of vijf “oases” waar je er uitgebreid kon voor zorgen dat je ‘roots’, je wortels dus, niet van droogte en van dorst zouden omkomen. Er was zelfs een terras, en ik dacht: daar ga ik even zitten om eens grondig te bekijken wat er van mijn roots overgebleven is.

Ik had nog maar net een leeg tafeltje gevonden, toen er een enthousiaste inboorling op mij toekwam en mij verrast vertelde wie ik was, zelfs met petje en onherkenbare zonnebril. Hij had dwars door mijn camouflage heen gekeken.

“Ken je mij niet meer?” vroeg hij, en hij zei dat hij Frans was, Sus, gelijk ze zeien en dat hij getrouwd was met Adeline. En Adeline, die had ik toch zeker nog gekend want die woonde vroeger vlak in mijn buurt, en als hij zich niet vergiste was Adeline nog zo’n beetje een oude vlam van mij geweest. “Grapje” lachte hij, “maar vroeger vertelde ze dat jullie samen in de muziekschool gezeten hadden, en vioolles gevolgd. Bij meester Job.”

Ik zette de camera van mijn roots wat scherper en jawel, Adeline kwam langzaam in beeld. Hij zei dat hij begreep dat ik me haar zo dadelijk niet herinnerde, ik was niet zo jong meer, hij trouwens ook niet, en het was allemaal zo lang geleden.

Hij vertelde, nog altijd even geestdriftig, dat hij nog steeds met Adeline getrouwd was, en dat ze hier ergens rondliep met twee van hun kleinkinderen. Ze hadden er veertien. Adeline zou dadelijk hier zijn. Hij keek op zijn horloge en hij was benieuwd of ik haar nog zou herkennen.

In het album van mijn roots zag ik de Adeline van vroeger, een wat spichtig jong meisje , maar volgens mijn belager, die dus met haar getrouwd was, had het hem nogal wat moeite gekost om die Adeline te veroveren. “Jong”, zei hij, “dat was een beauty, dat moet je toch nog weten, iedereen zat erachteraan.”

Maar hij had de concurrentie geen kans gegeven. Want, dat wist ik waarschijnlijk ook nog wel, hij stoefte niet graag op zijn eigen, maar hij mocht in die tijd gezien worden, en hij kon in die tijd zoveel meisjes krijgen als hij wilde. Maar hij had al gauw zijn gedachten op Adeline gezet, heel de zwerm andere aanbidders platgeklopt en op een hoopje geveegd, en het was Adeline geworden voor het leven.

“Ginder is ze!” begon hij al op haar te wuiven. Aan de einder kwam een dikke vrouw aangewandeld, die ongedurig riep omdat haar twee kleinkinderen niet wilden luisteren en door de plasjes liepen. “Kijk eens wie hier zit !” juichte hij toen Adeline dichterbij kwam. Ze keek in mijn richting, nors, maar schudde nee, geen tekenen van herkenning.

“Jij komt altijd wel iemand tegen om een pint te kunnen zuipen” zei ze. En ze was moe. Ze liep zonder goeiedag te zeggen naar de auto. Mijn drinkeboer wilde afrekenen, maar ik zei dat ik dat wel zou doen. “Je moet maar heel goed voor Adeline zorgen ” zei ik. Hij knikte. Toch een beetje ongeloofwaardig.

– Louis Verbeeck

Louis Verbeeck schreef jarenlang cursiefjes voor De Bond. De redactie selecteerde er enkele om opnieuw te publiceren naar aanleiding van zijn overlijden op 25 november 2017. Lees hier zijn In Memoriam.

 

Gepubliceerd op: 28/11/2017, laatste update op: 29/11/2017

Tags: