bool(false)

Davud Mirza (28 jaar) werd geboren in Afghanistan en groeide op in de oorlog. Op zijn dertiende ging hij in Iran werken in erbarmelijke omstandigheden, zonder zijn ouders. Noem een kinderrecht en Davud moest het missen: recht op eten, veiligheid, onderwijs, bescherming tegen oorlog…

De lijdensweg eindigde niet toen hij als minderjarige vluchteling in Europa terecht kwam. Nu wil hij, als maatschappelijk werker, iets betekenen voor andere Afghaanse jongeren die hetzelfde (hebben) doorstaan.

“Omwille van de economische toestand en de oorlog gaan veel Afghanen in Iran werken”, vertelt Davud Mirza. “Ook jonge kinderen zoals ik. Ik werkte er 15 uren per dag en viel dan uitgeput in slaap onder de machines waarmee we handtassen maakten voor Europa. Daarvoor had ik een tijdlang in een ijzerfabriek gewerkt en liep daar een hernia op. Het was zwaar en ongezond werk, maar met gezondheid en kinderrechten ben je niet bezig als je moet overleven. Een paar maanden voor ik achttien werd, besloot ik te vertrekken. Als je je hele kindertijd in oorlog of de illegaliteit leefde, heb je niets te verliezen.”

Ik ben gehard door mijn verleden, ik geef niet op. Er zijn andere jongeren die die kracht niet (meer) hebben, sommigen zijn zo kapot gemaakt dat ze niet meer kunnen vechten. Ook voor hen wil ik opkomen.

– Davud Mirza

Over kop en bijna overvaren

David: “Ik kon niet vermoeden hoeveel ellende me nog te wachten stond. De auto waarin ik meereed richting Turkije ging over kop en we moesten dagen stappen. We kochten met vier jongeren een roeibootje, peddelden ‘s nachts de grens naar Griekenland over en ontsnapten op het nippertje aan de dood toen we bijna overvaren werden door een groot schip.

Maar we haalden de overkant en dachten: ‘Dit is Europa, nu is de miserie voorbij’. Dat was een grove misrekening. Als ik een boot- of treinticket wilde kopen moest ik iemand vinden die dat voor mij wilde doen, want mij werd het geweigerd omdat ik geen papieren had. In Athene schrok ik dat er zoveel Afghanen op straat sliepen, sommigen al jaren. Daar zou dus ook geen plaats zijn voor mij.

Jong en bang

Vluchteling uit afghanistan
Davud Mirza. (Foto: Kristof Ghyselinck)

Na drie weken op straat met alleen eten uit de vuilnisbakken was ik zo vermagerd dat ik me in de ruimte boven de banden van een vrachtwagen kon wringen. Toen ik in Italië mijn schuilplaats verliet, werd ik bijna gevat door de politie, maar een vrouwelijke agente hield haar collega’s tegen. Zij heeft me mijn leven gegeven, want zonder haar was ik teruggestuurd.

Ik zat onder de luizen, was vuil en doodmager. Ik sliep buiten, zag geweld en een verkrachting en vluchtte weer verder. Ik was jong, kende de taal niet en was bang.”

Niet stilvallen

“In Parijs zou de miserie over zijn, dacht ik. Maar ook daar leefden veel Afghanen op straat. Mijn ervaring heeft me geleerd om niet stil te vallen. Want dan zou alles wat ik had meegemaakt naar boven komen, zou ik ziek worden en was het over. Ik ging door naar België. Het was oktober en slecht weer.

Na een week kon ik bij het commissariaat asiel aanvragen. Ik was bijna achttien, maar zei dat ik zestien was zoals de mensensmokkelaars me hadden geadviseerd. Ik werd naar het opvangcentrum in Steenokkerzeel gestuurd. Vandaar ging het naar het asielcentrum in Kapellen.

Alles voor niets?

Na enkele maanden luidde de conclusie dat ik wel al achttien was. Een gepantserde auto bracht me naar het gesloten centrum in Luik. Ik had zoveel afgezien om hier te geraken en zou teruggestuurd worden. Ik wilde niet meer leven, maar na een poging om er een einde aan te maken, werd ik in een isoleercel gezet, tot ik naar de luchthaven werd gebracht voor de terugkeer.

Daar weigerde ik het papier te tekenen. Het luchthavenpersoneel zei smalend: ‘De volgende keer slaan we je in de boeien en zal je toch terug moeten’. Ze brachten me terug naar het gesloten centrum en enkele dagen later werd ik totaal onverwacht vrijgelaten. Het centrum mocht me drie maanden vasthouden en dat maximum was bereikt. Ik pakte mijn kleren en zette het op een lopen. Maar waar moest ik heen? Ik had niets en was niets.”

Eindelijk mocht ik ergens bij horen

“Na nog eens drie weken op straat vond ik een andere Afghaan om een kamer mee te delen en hij hielp me aan werk. Voor 13 uur werken per dag kreeg ik 30 euro. Daarmee kon ik het redden. ‘s Avonds leerde ik Nederlands. Een vzw uit Antwerpen moedigde me aan om opnieuw asiel aan te vragen. Ik was bang, zouden ze me niet terug op het vliegtuig zetten? Maar ik kreeg een positief antwoord.

De tranen prikten in mijn ogen toen ik het papier met dat bericht ontcijferde. Eindelijk mocht ik ergens blijven en erbij horen als mens. Nooit had ik een identiteitskaart gehad, nu stond mijn naam daar, op papier.

Elke mens kan iets betekenen voor vluchtelingen.

– Davud Mirza

Maanden gehuild

Maar ik was ‘op’, voelde alle pijn naar boven komen en vreesde dat ik zou exploderen. Een gezin uit Leuven bood aan om bij hen te komen wonen. De eerste maanden heb ik daar alleen maar in bed gelegen en gehuild. Al van jongs af moest ik sterk zijn, ik mocht niet breken. Nu barstte alle angst en pijn los. Dat gezin heeft veel geduld met me gehad en de kinderen kwamen me knuffelen, maar ik bleef huilen.

Klaar voor school

Tot ik na een tijd toch klaar was om naar school te gaan. Tijdens de dag naar het tweedekansonderwijs en ‘s avonds naar de Nederlandse les. Ik haalde mijn diploma en ging werken. Maar ik wilde met mijn ervaringen anderen helpen. Het zal altijd ergens oorlog zijn en vluchtelingen zullen blijven komen. Hulpverleners die hier opgroeiden kunnen niet echt voelen wat ze hebben meegemaakt, en nog meedragen.”

“Ik ging maatschappelijk werk studeren. Een leefloon kreeg ik niet omdat ik al gewerkt had. Ik heb schulden gemaakt om te eten, een kamer en studies te betalen. Na tweeënhalf jaar krijg ik nu wel een leefloon, maar ik moet meteen slagen, er is geen tweede kans. Dat legt een grote druk op mijn schouders.

Conflicten vermijden

Als stageopdracht bij het Kinderrechtencommissariaat doe ik een onderzoek naar de noden van jongvolwassen Afghaanse vluchtelingen. Zo wil ik ook te weten komen hoe hulpverleners, middenveldorganisaties en het Kinderrechtencommissariaat die jonge mensen vooruit kunnen helpen. Ik ken hun taal en cultuur en ik weet wat het is als kind te werken tot je erbij neervalt, zonder dak boven je hoofd. Niemand die je kleren wast of zegt ‘zoon, ik hou van jou’ of je sust als je bang bent.

Daarom vertellen ze mij wat ze aan hulpverleners niet zeggen. Ik wil die jongeren steunen én meer begrip voor hen creëren. Er zijn veel conflicten met Afghaanse jongeren in (Okan)scholen, bij hulpverleners enz. Als mensen weten en begrijpen onder hoeveel druk ze staan en wat hun noden zijn, kan daar iets aan gedaan worden.

De pijn van de vluchteling

Ik ben nu (bijna) maatschappelijk werker, maar vanbinnen ben ik nog altijd vluchteling en blijf de pijn voelen. Daarom kan ik iets voor die jongeren betekenen.

Elke mens kan iets betekenen voor vluchtelingen. Zoals dat gezin dat mij opving en geduld had toen ik niets anders deed dan huilen. Of Bruno (Vanobbergen, kinderrechtencommissaris nvdr.) die mij de kans geeft om dat onderzoek te doen en jij die naar mij luistert en mijn verhaal wil vertellen aan de lezers.

En toen ik in het gesloten centrum verbleef, was er de advocaat die me kwam bezoeken omdat hij in mijn dossier las dat ik in drie maanden geen bezoek had gekregen. Dat geeft me allemaal duwtjes om voort te doen.”

Wij zijn geen profiteurs

“Zelfs de mens die me op straat uitscheldt voor vuile Afghaan triggert me, en de sociaal assistente die zei dat er al sociaal assistenten genoeg waren en ik iets anders moest studeren, wakkerde mijn motivatie aan. Ik ben gehard door mijn verleden, ik geef niet op. Er zijn andere jongeren die die kracht niet (meer) hebben, sommigen zijn zo kapot gemaakt dat ze niet meer kunnen vechten. Ook voor hen wil ik opkomen.

We zijn geen profiteurs die niet willen integreren, maar verwacht niet dat vluchtelingen dat allemaal meteen kunnen, met hun hoofd vol zorgen en verwarring. Geef hen tijd en respect, en erken de zware rugzak die ze meezeulen. Er zijn jongeren die hier komen zonder familie, zonder rust of liefde… Denk je dat zij dat niet nodig hebben? Natuurlijk wel.”

Survivalmodus

“Toen ik als kind die lange, harde dagen werkte, droomde ik dat ik op een dag een boekentas zou hebben en naar school zou gaan. Ik vertelde het aan niemand, ze zouden me uitgelachen hebben. Ik had zelfs niet het recht om te dromen. De avond voor ik naar de hogeschool ging heb ik daaraan gedacht met een krop in mijn keel.

Kinderen en jongeren moeten kunnen dromen. Van kinderrechten had ik al die jaren geen benul en toen ik hier voor het eerst over puberteit hoorde dacht ik: ‘Wat is dat? Heb ik dat gehad? En die andere jongeren in de fabriek die omvielen van vermoeidheid?’

De verloren kindertijd kan nooit meer goedgemaakt of ingehaald worden. Zoals alle vluchtelingen blijf ik in survivalmodus. Ik hoop dat organisaties voor kinderrechten en tegen –arbeid ooit alle kinderen in de wereld hun kind-zijn kunnen garanderen. En intussen wil ik met mijn onderzoek een klein steentje bijdragen aan het begrip voor jonge vluchtelingen hier.”

(TOPFOTO: Kristof Ghyselinck)
cover de bond november kinderrechtenDit interview verscheen eerder in het kinderrechtennummer (november 2018) van De Bond, het ledenblad van de Gezinsbond.
De Bond kan ook bij jou (gratis!) in de bus vallen, als je lid bent.

 

Lid worden kan hier, de nieuwtjes van de Gezinsbond meevolgen kan op Facebook en Instagram.

 

Tags: , , , ,