Sven De Schutter is schooldirecteur van Freinetschool De Vlieger in Gent. In de laatste weken voor de (verlengde) kerstvakantie, pal in de vierde coronagolf, houdt hij een dagboek bij.

Maandag

Tegen alle verwachtingen in heeft het weekend me best wat rust geboden en ben ik aan ontspannende zaken toegekomen tussen de coronameldingen door. We brachten wel de boodschap aan de ouders dat we alle kinderen van de lagere school maandag met een mondmasker verwachten.

Niet elke ouder zal zich daar kunnen in vinden, maar de eerste reacties zijn beschaafd en het helpt wellicht dat we als school zelf aangeven dat we deze regel eigenlijk niet fijn vinden. Ik voegde er ook mijn twijfels aan toe of kinderen dit eigenlijk wel correct kunnen volhouden. Dat we ons opnieuw enigszins kritisch achter alweer een nieuwe aanbeveling scharen, lijken veel ouders wel te appreciëren. Ik vroeg het team ook om alle kinderen tijd te gunnen om te wennen aan het masker en niet als een politieagent te keer te gaan. Dat is niet onze stijl en vraagt nodeloos energie.

Niettemin wil ik me niet boven de maatregel stellen, die tenslotte wel bedoeld is om de besmettingen tegen te gaan. Maar intussen zijn zoveel kinderen positief getest op school en volgen we zo nauw alle eerdere maatregelen, dat ik me wel vragen stel bij de effectiviteit van deze maskerade. De weinige ouders die in dialoog willen gaan over de regel, krijgen dus geen gelijk maar wel begrip. Dat helpt en een uur na de start van de schooldag heerst er rust. Logisch ook, de halve school is nog steeds in quarantaine.

LEES OOK > 10 vragen over quarantaine en wat het betekent voor jou en je kind

Corona in de kinderopvang, wat betekent dat voor jou als ouder?

Het Laatste Nieuws wil een stand van zaken én een foto van kinderen met maskers maar ik wimpel ze af. Ik heb hier tijd noch zin in en een fatsoenlijk artikel dat echt bijdraagt aan de discussie, verwacht ik sowieso niet. Wanneer ik later lees dat er bijstand van de politie is ingeroepen in bepaalde scholen of er dreigend gecommuniceerd wordt, denk ik dat er bij ons ook niet veel nieuws te rapen viel.

Ondanks alle heisa willen we deze zesde december toch in het teken van Sinterklaas stellen. De Spaanse kindervriend komt langs, maar gaat niet van klas naar klas, noch begroet hij de massa. In kleine groepjes komen de kinderen langs bij de Sint, die op een podium zit. Geen Pieten in de buurt. Eén brak vorige week een voet, de ander had een hoogrisicocontact.

Ja, we hadden alles op alles kunnen zetten om nog iemand te vinden die met wat roetvegen op voor wat gekke kuren kon zorgen. Maar geen mens vond er de fut nog voor, eerlijk gezegd. Omdat we ons al half in overtreding voelen door Sinterklaas toch op school te ontvangen, lijkt het ook een consensus, hoewel niemand verantwoording vraagt. De kinderen krijgen te horen dat de Pieten in quarantaine zitten. Een begrip dat voor zelfs het kleinste kind vertrouwd is.

Beleven deze kinderen hier een spannend, feestelijk moment? Eigenlijk niet. De zes kleuters die vandaag aanwezig zijn, vormen een wat zielig publiekje in een grote zaal. Onder de indruk van de elegant getooide heilige op de troon, in hun nopjes met het speelgoed voor de klas, maar al bij al beleven ze dit zonder veel allure. Ik vervloek dat we toch niet voor meer bombarie gegaan zijn om deze dag echt zot en zalig te maken. Maar ons bord lag simpelweg te vol.

Er volgt een groepje derdeklassers met een liedje voor de Sint. Met het mondmasker aan – om te huilen eigenlijk. Voor het tweede jaar op rij maakt de komst van de goedheilig man dus amper indruk. Als een kind zich gemiddeld maar zo’n vijf jaar ten volle bewust is van de Sint, voor ze de waarheid kennen, is hier een groot magisch deel van de kindertijd verloren gegaan. Ik prop nog wat letterkoekjes in mijn mond als troost, maar het helpt niet.

LEES OOK > Mijn kind moet een maskertje aan, wat nu?

Dinsdag

De schoolweek is amper een dag ver maar ik loop er al bij als een zombie. ’s Avonds kom ik wel aan ontspanning toe maar deze dagen beladen met prikkels, verwerk je niet zo makkelijk. Er wachten me ’s ochtends een drietal ouders op en allemaal willen ze wel iets kwijt over de mondmaskers. Ik luister geduldig en ik treed hen zelfs bij als ze de indruk beschrijven dat we toch nogal strikt reageren op het dragen van een mondmasker.

Dat er dus toch leerkrachten een punt maken van dit gedoe, stelt me wat teleur maar het is wel zeer menselijk: ook zij moeten leren hoe ermee om te gaan en als er personeelsleden op school enige ongerustheid vertonen, is dat normaal. Maar in onderwijs zijn we intussen maandenlang blootgesteld aan het virus. Kinderen zijn niet van de ene dag op de andere besmettelijker. Ik vraag het team dus toch om mild te zijn.

Eigenlijk vraagt dit overleg, maar hoe en wanneer zouden we daar aan toe komen? Wanneer ik even later een klas binnenwandel en de leerkracht wijs op een drietal kinderen die het masker niet correct dragen, trap ik zelf in de val waarvoor ik waarschuwde. Het valt echt niet mee om consequent en plichtsgetrouw te zijn enerzijds en anderzijds redelijk te blijven.

Een moeder van Bulgaarse afkomst stuurt een paniekerig bericht naar de leerkracht. Ze houdt haar dochter thuis omdat ze denkt dat we op school alle kinderen gaan vaccineren. We stellen haar gerust, maar je vraagt je af waar zo’n verhalen vandaan komen. Ik prijs me gelukkig dat we op onze school zonder veel extra moeite een groot deel van de ouders weten te informeren.

Die middag klaart het ietwat op in mijn hoofd. Met vijf collega’s een hapje eten in het Turks restaurant op een steenworp van de school, blijkt net wat ik nodig heb. Het wordt gezellig en vooral ontspannend. Wat missen we dit soort momenten. Dat we in de leraarskamer niet naast elkaar mogen zitten bij de lunch, maar hier wel, is de zoveelste realisering dat er al lang geen lijn meer te trekken valt in wat zinvol is en wat niet om besmettingen tegen te gaan.

Het grote aantal afwezige leerlingen én een staking van de onderhoudsdiensten gisteren – die vakbonden weten hun moment echt te kiezen – heeft voor een overschot aan warme maaltijden gezorgd. Bij de stadsdiensten wordt daar gelukkig alert en daadkrachtig op gereageerd en de ongeopende zakken voedsel gaan naar een organisatie in de buurt die zorgt dat ze terechtkomen bij mensen die ze kunnen gebruiken.

LEES OOK > Vul een brooddoos tegen honger op school: ’Armoede zit zo dichtbij als de klasgenootjes van onze kinderen’

Woensdag

Stilaan vullen de klassen zich met kinderen die uit quarantaine terugkomen. Het klasleven vindt hier en daar het vertrouwde ritme terug. Stagiairs kunnen talloze keren uitgestelde activiteiten eindelijk laten plaatsvinden. Ook ik zelf kom toe aan het ‘gewone’ werk.

Een overleg over de samenwerking van de school met de kinderopvang vraagt heel wat tijd en energie maar het is fijn ook eens met wat anders bezig te zijn dan corona. Toch voel ik me tegen de middagpauze op. Ik kom niet aan recuperatie toe. De zak met letterkoekjes die na het Sinterklaasfeest is blijven liggen, vordert gestaag.

Enkele regelingen voor het vervangen van afwezige leerkrachten de komende dagen, lokken hier en daar gemopper uit in het team. Een klasvrij uur opofferen, een toezicht overnemen, wat langer blijven na school, … Het is voor het eerst in lang dat ik ervaar dat de flexibiliteit van de teamleden zijn grens kent. Ik neem me voor daar absoluut rekening mee te houden maar ik blijf wel zitten met klasgroepen waarvoor misschien nog geen leerkracht beschikbaar is voor een deel van de dag.

Veel vroeger dan gewoonlijk ga ik naar huis. Ik heb hoofdpijn en ben vermoeid. De zelftest is gelukkig negatief. Nadat het eerste deel van dit dagboek online verscheen, kreeg ik van veel ouders aanmoedigingen en iedereen vroeg me hoe het met me gaat. Dat vind ik niet gemakkelijk. Ik wil absoluut niets dramatiseren en ook al zijn dit loodzware dagen, ik hou het best goed vol. Ik reageer dus wat beschroomd en relativerend.

Donderdag

Het is vrij duidelijk dat ik vandaag niet naar school kan. Ik blijf in bed met een stevige verkoudheid. Een goed draaiende school kan altijd wel even zonder directeur.

In de namiddag heb ik – natuurlijk – toch mijn mailbox geopend. Er is wat ophef onder de Gentse directies over het organiseren van de noodopvang voor de vakantie. Het feit dat elke school dit voor zichzelf mag beslissen, zorgt voor polarisatie. De ene school kan dit makkelijker aan dan de andere, maar scholen worden wel onvermijdelijk tegen elkaar uitgespeeld zo. We plannen morgen een noodoverleg.

Ik ben wel verrast dat sommige scholen deze extra week als vakantie benoemen, maar dat blijkt ook de term te zijn die vanuit de overheid gebruikt werd in de communicatie. Het Agentschap voor Onderwijsdiensten zou dit echter ontkennen. Ik ga er alleszins van uit dat ik die week wel op school hoor te zijn – werk genoeg – en ik weet nu al dat een aantal teamleden ook wel een dag of wat op school zal verschijnen.

Vrijdag

Een dertigtal hoofden verzamelt zich op mijn scherm. De collega-directies uit het Gentse stedelijk onderwijs vormen een bonte groep met heel uiteenlopende karakters en persoonlijkheden, maar velen van hen heb ik in de loop der maanden leren kennen als gedreven, warm en bezield. Het zijn mensen naar wie ik opkijk en graag luister. Als zij aangeven dat ze hun team echt niet meer kunnen inschakelen voor noodopvang, komt dat niet over als zelfbeklag.

Ik merk dat ik vanuit mijn beperkte ervaring niet met een helikopterblik kijk naar de beslissing van ons schoolbestuur dat elke school zelf de keuze kan maken om noodopvang te organiseren. Ik heb toevallig een groot team dat snapt hoe ouders op hun tandvlees zitten en het nog net ziet zitten om enkele uren opvang te voorzien. Maar elke school heeft zijn eigen context.

Veel collega’s voelen zich nu dus in een onmogelijke positie gesteld, waarbij je het welzijn van je team afweegt tegenover een zekere dienstbaarheid naar de ouders. Het wordt een lang maar respectvol gesprek en wanneer ook een afvaardiging van het bestuur aansluit, wordt wel voelbaar dat er zorg gedragen wordt voor de directies. Maar dit is een crisisbeleid van bovenaf, met goeie intenties maar zonder veel inspraak. Dat is exact wat crisisbeleid is, niet? Ik herken het alleszins bij mijn eigen leiderschap momenteel.

Een tweede pertinente vraag gaat over het gebruik van het woord vakantie. ‘Foute communicatie’, zo klinkt het. Maar er is niemand zo gek om op te werpen dat de leerkrachten toch betaald worden en dus maar horen te werken die week. De nood aan adempauze is immens en in tegenstelling tot de zorgsector krijgen we nu een kans om die te grijpen.

Na deze twee uur durende samenkomst in cyberspace, voel ik me opnieuw ellendig. Ik ben ziek, dat valt niet te ontkennen. Terug naar huis dan maar. De organisatie en communicatie rond de noodopvang zal voor later dit weekend zijn.

Ook al is de fysieke grens even bereikt en ik ook naar mentale rust snak, het lukt me om door te zetten. Ik leef mee met de jonge directeur in de media die bekend maakt dat hij het even voor bekeken houdt. Ik ervaar die nood gelukkig niet. Maar laat me niet onderschatten hoe groot het collectieve aandeel is van teamleden, ouders en leerlingen. Wat een warmte. En dan heb ik niet over de koorts.

Meer lezen van Sven? Dat kan op Twitter en in het online filmtijdschrift kutfilm.be

Foto schooldirecteur: Kristof Ghyselinck

Volg de Gezinsbond ook op Facebook, Twitter en Instagram om op de hoogte te blijven van nieuwtjes en activiteiten. Lid worden van de Gezinsbond kan hier.

Gepubliceerd op: 14/12/2021, laatste update op: 18/05/2022

Tags: