Ik ga hier vandaag niet zitten beweren, dat sterven plezierig is, maar blijven leven is ook niet het prettigste wat je kan overkomen.

Dat zei me onlangs een dame van vooraan in de negentig en zij wist dus waarover zij het had. Want als je er zo ongeveer een eeuw opzitten hebt, dan is dat ongeveer het maximum, en als je het dan nog niet weet, dan zal het wel nooit komen.

Op mijn waarom zei ze: “Je komt zo nooit nog eens iemand tegen van dezelfde leeftijd, iemand met wie je met kennis van zaken kunt praten over toen, je zit helemaal alleen met je herinneringen, want die herinneringen interesseren niemand meer. Omdat je niemand anders meer hebt om tegen te praten, begin je dan maar tegen je zelf. Van ellende. Maar dan zeggen ze dat je gaga bent. ‘Ze begint al tegen haar eigen te praten, zeggen ze dan’. Ik hoor dat wel maar ik zwijg maar.”

“En ik praat maar voort in mijn eigen, en tegen mijn eigen. Het grote voordeel is, dat je dan altijd gelijk krijgt, ook al kan je met dat gelijk niet zoveel aanvangen. ’t Is precies of ik al in een andere wereld zit, zei ze .Het nieuws in de krant, dat is precies allemaal niet meer voor mij. Zelfs bij de doodsberichten merk je dat ze allemaal jonger zijn dan ik, van die snaken van zeventig, vijfenzeventig. Ik denk dat ik de krant maar ga opzeggen. Er staat toch niks wat ik nog belangrijk vind.”

Soms denk ik wel eens, dat ze mij vergeten zijn..! Ze glimlachte. “Zou dat kunnen, dat ze vergeten zijn mij te komen halen?” Ze wist natuurlijk zelf wel beter. “Als ik jou was, raadde ik haar aan, dan zou ik een hondje in huis nemen.” Ik zei dat nog twee hondjes op overschot had. Twee kleine, lieve hondjes, net troetelbeertjes. Een zwart en een beige. ”

Winterhondjes!” Zei ze. Want ze wist alles van hondjes. “Daar ga je niet gemakkelijk van af geraken.” Ik zei dat ik ze moeilijk kon antidateren. Het was nu eenmaal zo.

Hondjes … Ze had er wel zeven gehad. Maar op een gegeven moment wilde ze er geen meer, omdat ze op een dag allemaal stierven, want een mens leeft langer dan een hond. En je bent daar dan aan gehecht, en het doet pijn. Voor twee van de zeven had ze zelfs een dierenarts moeten bij roepen, omdat ze de ellende van hun lijden niet meer kon aanzien. Die heeft ze toen een verlossend spuitje gegeven. Ze eerst in slaap gedaan en even nadien dat definitieve spuitje. Ze waren op haar schoot gestorven.

Nu wilde ze geen hondje meer, uit schrik voor wat er achteraf mee zou gebeuren. Want zo’n nieuw hondje zou haar natuurlijk overleven. En een hond hecht zich ook aan een mens, net zoals zij zich iedere keer gehecht had aan die zeven hondje, die ze gehad had. Maar misschien kan een hond zich daar wel moeilijker overheen zetten dan een mens.

Over de dood, bedoelde ze.

Nee, ze moet geen hondje meer. Als ze nog iets in huis zou nemen, dan was dat een kat. Zo’n kat, dat kan meer zijn plan trekken, ook achteraf. Zo’n kat is zelfstandige, dat leeft meer op zijn eigen, in zijn eigen wereld, dat heeft zijn eigen filosofie. Een hond niet, dat heeft een mens nodig, dat is gedienstig, dat praat met zijn staart, dat glimlacht zelfs met zijn staart.

Terwijl… van een kat weet je nooit echt wat ze denkt. Van een hondje wel. Dat vind ze zelfs zo sympathiek aan hondjes … Maar toch zou ze nu een kat nemen, als ze nog iets nam, maar ze nam dus niks meer. Ze vroeg of ik begreep waarom ze nu een kat zou nemen als ze…

Ik zei dat ik het begreep. Ze keek met haar oude, blauwe ogen door het raam naar buiten. “Er mag niemand spijt hebben dat ik doodga”, zei ze. “Ik zou daar niet meer kunnen mee leven.”

– Louis Verbeeck

Louis Verbeeck schreef jarenlang cursiefjes voor De Bond. De redactie selecteerde er enkele om opnieuw te publiceren naar aanleiding van zijn overlijden op 25 november 2017. Lees hier zijn In Memoriam.

Tags: